Gastcolumnist
Gastcolumnist

Een nieuw begin?

Door Saskia Breede.


“Christenenzielen Saskia, doe niet zo naïef! Trek je poten toch eens een keer uit die zwarte Zeeuwse klei! Als ik vorig jaar niet naar Den Haag was verhuisd, had ik me waarschijnlijk nu net zo kut gevoeld als jij ! Zeg.., weet je wat! Jij komt gewoon een paar maanden bij mij in de Riouwstraat logeren. Ik heb toch ruimte zat. Weg van die bekrompen geesten, de roddel, de achterklap en die gereformeerde Zeeuwse kleinburgerlijkheid.”
“Ja maar, Elly”, sputterde ik tegen. “Hoe moet dat dan met m’n ouders?”
“Mens, denk toch eens aan je zelf! Die ouwelui van jou zijn net zestig, hartstikke gezond en met behulp van de Heer, redden die zich ook heus wel zonder jou! Nou schat, ik moet nu gaan hangen. Denk er maar eens over na, over dat bij mij logeren, dan bel ik je maandag wel weer en dan hoor ik het wel. Hang tegen je ouders maar een lulverhaal op, over dat ik ziek ben of zo en dat je mij een tijdje gaat verzorgen. Gebruik het woord naastenliefde of zoiets maar, daar zijn ze wel gevoelig voor.”

Nadat Elly, mijn oudste en eerlijk gezegd ook mijn enige vriendin, had opgehangen keek ik in de spiegel en dacht: Verdomd, ze heeft gelijk! Zie je zelf hier nou eens staan, verzuurde trut! Achtendertig jaar oud, wonend in een absoluut niet door god vergeten Zeeuws gat en dan ook nog bij je vader en moeder. Met als enig hoogtepunt in je leven, die ene keer dat je op zondagmorgen in de kerkbanken via een gat van je jaszak jezelf onder het psalmenboek klaar vingerde terwijl de dominee hel en verdoemenis predikte over zelfbevlekking. Nee, als ik hier blijf hangen dan droog ik letterlijk en figuurlijk op en kan ik de rest van m’n leven waarschijnlijk ook wel weggooien.

Maandag avond tegen half tien belde Elly: “En?”, zei ze nieuwsgierig.
“Ik dóé het!”, antwoordde ik. “Ik heb m’n ouders uitgelegd dat jij héél zielig bent en dat je me keihard nodig hebt. Ze namen het eigenlijk best wel goed op.”
“Mooi”, zei Elly. “En wanneer kom je?”
“Nou, als het niet erg vindt, het liefst zo snel mogelijk. Ik dacht zelf donderdag of vrijdag.”
“Doe dan donderdag maar dat is makkelijker voor mij, want vrijdags heb ik op kantoor altijd een borrel en dat wil nog wel eens uit de hand lopen. Maar dat zie je vrijdag zelf wel, want ik ga je natuurlijk wel even lekker showen bij de collega’s op m’n werk. Ik neem aan dat je donderdag met de trein komt?”
“Ja”, zei ik, “ik heb ’t al uitgezocht. Als alles meezit sta ik om pakweg drie uur op station Hollands-Spoor.”
“Kut”, zei Elly. “dan zit ik nog op kantoor. Maar weet je wat je doet, als je het station aan de voorkant uitloopt, pak je daar gewoon een taxi en laat je afzetten bij het Bankaplein. Als je daar dan bent, bel je me mobiel. Ik sneak dan wat eerder van kantoor weg en sta dan binnen twee minuten voor je neus. Gaan we eerst even lekker wat drinken in de Bankastraat en daarna lopen we samen naar m’n huis. Hè meid, gezellig! Ik verheug me nu al op donderdag.”

De treinreis liep zoals gepland en om tien over drie stapte ik in één van de taxi’s voor het station, waarop de chauffeur vroeg: “Waar jij moet heen?”
“Bankaplein”, zei ik.
Na een reis van ruim twintig minuten, door een in mijn ogen druk en chaotisch Den Haag, stopte de wagen op een mooi plein met een prachtige fontein in het midden.
“Wat krijgt u van mij?”, vroeg ik.
De taxichauffeur rommelde wat aan de meter, draaide zich naar achter en zei: “Zesendertig euro twintig.”
En in een flits herinnerde ik me de woorden die Elly maandagavond door de telefoon tegen me had gezegd: “Pak een taxi en laat je afzetten bij het Bankaplein.”

© Saskia Breede
Geplaatst op: Maandag 20 december 2010 om 10:39 uur
14835
bezoekers
© 2012 - Gastcolumnist